Sophie
Sophie Sophie


Vraag nu een
GRATIS
proefnummer aan!

Vraag nu een gratis proefnummer aan!
Missie
Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie. Zij biedt een intellectuele uitdaging door kritisch na te denken over actuele onderwerpen, geïnspireerd door de christelijke traditie.

Redactie
ing. P. de Boer
dhr. A. Deddens
mevr. drs. E.J. van Dijk
mevr. drs. M. Doornenbal
mevr. drs. R. Ebbers-van Aalst
dr. J. Ester
drs. I.D. Haarsma
prof. dr. J. Hoogland
dhr. A. Janse
dr. ir. R.A. Jongeneel
mevr. drs. D.G. Rots
dr. P.H. Vos
dr. K. van der Zwaag
Moderne theologie als mix van positivisme en postmodernisme PDF Print Email
Written by   

Moeten theologen zwijgen over God? Theologie heeft allesbehalve te maken met kennis, stelt Harry Kuitert in zijn recente boek Alles behalve kennis. Ze onderzoekt slechts geloofsvoorstellingen van mensen die weer het product van eigen verbeelding zijn. Klaas Hendrikse zegt in zijn nieuwste boek God bestaat niet en Jezus is zijn zoon niets anders: „De eerste goden zijn naar buiten gerichte menselijke projecties. De latere trouwens ook.”

Kuitert wil in zijn werk ‘ondermijnen’ dat geloof kennis is. Kennis moet je verantwoorden ten overstaan van anderen, met kennis betreed je het pad van aantonen of bewijzen. Volgens Kuitert is er geen gezaghebbende instantie die zegt dat Godskennis kennis is. De christelijke leer over God stamt van mensen af, is dus geen kennis, maar ontwerp van verbeelding, afkomstig van verre voorouders.

De kerk moet daarom radicaal van functie veranderen, ze moet een ‘ontwenningskliniek’ worden waar mensen kunnen leren hoe te leven met wat geen kennis bleek te zijn. „Er is geen kennis van God, maar verbeelding, menselijke overlevering afkomstig van het voorgeslacht dat goden en God bedacht.” De kerk mag weg, als God maar overblijft. Waarom? „Omdat het niet over God gaat. Wie zich over God uitspreekt, spreekt zich uit over zichzelf, daarom heeft God zoveel gezichten gekregen.”

Klaas Hendrikse zegt niets anders. À la Kuitert beschrijft hij in zijn nieuwe boek het ontstaan van goden c.q. God (Jahweh, begonnen als een ‘lokale Baäl’) als eigen projectie. Het bijbelse scheppingsverhaal is volgens Hendrikse ontstaan in Babel, het is een mythe, verklaart niets, maar gaat over het heden, ‘over jou en mij’. „Een mythe is niet bedoeld om letterlijk te nemen, er heeft nooit een paradijs bestaan waarin Adam en Eva hebben rondgelopen. Het letterlijk nemen van een mythe, dát is zonde!”

Verbeelding

Kuitert voert als alternatief voor (geloofs)kennis de verbeelding in: puur een product van het menselijk bewustzijn, puur iets wat in het hoofd van mensen zit. „Leer dwingt, leer moet je voor waar houden, verbeelding maakt vrij.” Dat is wat de christelijke kerk met de geloofsvoorstellingen kan doen: ze herstellen in hun eer als ‘verbeelding’, als weergave van wat mensen emotioneert. „De christelijke traditie gaat over God, jawel, maar over God zoals Hij in mijn hoofd zit. Wat die God te bieden heeft, wat Hij vraagt, wat Hij belooft of waarmee Hij dreigt: dat hebben voorouders bedacht, in het woord God gestopt en er hun levenservaring in uitgedrukt.”

Het kan niet anders dan dat dit van invloed is op de theologie. De theologie, in de zin van leerstellige dogmatiek, kan volgens Kuitert de christelijke waarheid niet meer verdedigen als kennis van een wezen buiten ons. „Geloofsuitspraken zijn uitingen van de menselijke geest, daarom hoort theologie thuis bij geesteswetenschappen als taalkunde, filologie, literatuurwetenschap en geschiedenis, en moet zich toeleggen op uitleg van de voorstellingswereld van godsdienstig geloof, of kortweg: van de godsdiensten.”

De taak van de theologie is hermeneutiek, uitlegkunde: de christelijke leer over God uitleggen als kijk die de gelovige op zichzelf heeft, samen te vatten. De dogmatiek zag zichzelf als wetenschappelijke discipline, die kennis van God als echte kennis presenteerde, „maar kennis was nu juist de strop om de nek van de dogmatiek, het wachten was alleen op het moment dat die werd aangetrokken. God als enig eeuwig geestelijk Wezen brengt het niet verder dan een constructie van mensen.”

Opvallend is dat van de uniciteit van het christendom geen sprake is. Het christendom heeft in de optiek van Hendrikse leentjebuur gespeeld bij omringende volkeren, zoals ten aanzien van de scheppingsverhalen en de opstanding. „Opstanding was namelijk heidens gesproken niets bijzonders. Overal in de antieke wereld zijn varianten aangetroffen van een mythe over een stervende en na drie dagen herrijzende god(mens).”

De mazzel van de kerk

De Middelburgse protestantse predikant gaat daarin ver. Het vroege christendom maakte van Jezus zo veel mogelijk een dubbelganger van de Perzische god Mithras, die populair was in het Romeinse Rijk. „Overal in het keizerrijk werden Mithras-tempels gebouwd. De christenen hoefden alleen maar rustig af te wachten tot de tijd rijp was om een kruis op het dak te zetten (…) Christelijk gesproken heeft het christendom enorme mazzel gehad. Als keizer Constantijn geen christen was geworden, had er bij jou om de hoek waarschijnlijk geen kerk gestaan, maar misschien wel een tempel voor Isis.”

Volgens Hendrikse weten we niets van Jezus, wel wat van Hem gemaakt is, namelijk Christus. Christus is zijns inziens „een van oorsprong heidense mythologische figuur die door de bijbelschrijvers is voorzien van joods vlees en bloed in de persoon van Jezus van Nazareth”. Dat is de fout van de kerk geweest met haar „opstandologie”: de mythe van de opstanding werd letterlijk genomen en op Jezus geprojecteerd. „Jezus van Nazareth was een mens van vlees en bloed, Christus is een mythologische figuur die door het christendom aan Jezus werd vastgelijmd.”

Bekeerde heidenen verruilden volgens Hendrikse hun eigen god voor die van Jezus, of namen Jezus er gewoon bij. Als de latere kerk van Jezus iets ‘totaal anders’ maakt, is dat eigenlijk ‘niet zo christelijk’. „Want het vroege christendom probeerde juist om van Jezus ‘net zoiets’ te maken, door hem zo veel mogelijk te laten lijken op zijn heidense collega’s en hem te beschrijven als een van hun soort: een stervende en herrijzende godheid.”

Kortweg gezegd, de Bijbel bevat geen woorden of daden van Jezus die al niet eerder door anderen werden gezegd, geschreven of gedaan. Jezus is een „onachterhaalbare mix van ‘geschiedenis’ en mythologie”. We kennen Hem alleen uit beelden over Hem. „Er zal vast wel ooit ene Jezus bestaan hebben die voor heel velen een bron van inspiratie is geweest. Meer weten we niet, punt.”

De fout van de opstanding uit de doden is dat alles goed komt door in Hem te geloven. Daarmee wordt de menselijke ervaring tijdens dit leven buitenspel gezet. Opstanding wil zeggen wat in het dagelijks leven steeds gebeurt: mensen krabbelen na de dood van een geliefde weer op en gaan voorzichtig weer op weg. Pasen „gaat dan niet over de dood van de mens die terugkeert uit het graf, maar over de dood die niet sterk genoeg is”. Als er iets verlossends aan Jezus is, zo durft Hendrikse te zeggen, „dan is dat niet om wat hij voor ons heeft gedaan bij zijn sterven, maar omdat hij bij zijn leven heeft voorgedaan hoe een mens zichzelf kan verlossen van wat hem belemmert om te leven”.

Kuitert en Hendrikse symboliseren een theologisch universum waarin God zwijgt. Hendrikse eindigt zijn boek met een pleidooi voor een kerk die afstand doet van traditionele godsbeelden (als een wezen met persoonachtige trekken) en voor de levensbeschouwing van het ietsisme. „Over één ding zijn de ietsist en de nietsist het wel eens: bij de God van kerk en christendom hebben ze niets meer te zoeken.” Ietsisme vaag en oppervlakkig? Hier ligt volgens Hendrikse juist de kracht. Een ietsist weerstaat de verleiding om voor verloren zekerheden nieuwe in de plaats te stellen, durft te leven met onzekerheden en onbeantwoordbare vragen.

Terecht is door drs. G.A. van den Brink in zijn recensie van het boek van Hendrikse in het Nederlands Dagblad gewezen op „de wonderlijke mix van postmodernisme en positivisme”. Volgens het postmodernisme zijn er geen harde feiten, maar is wat wij als werkelijkheid beschouwen, uiteindelijk onze eigen mentale constructie. Ieder postmodern persoon mag zijn eigen God construeren, zoals dat ook bij Kuitert het geval is. Maar aan de andere kant is Hendrikse een rasechte positivist als hij het leven na de dood of de opstanding van Jezus ontkent omdat het niet kan volgens de ‘wetenschap’. Alles wat zich niet verdraagt met ‘logica en natuurwetenschap’, aldus Hendrikse, behoort tot ‘mythologisch taalgebruik’. Had Hendrikse zich maar met wetenschapsfilosofen als Plantinga en Wolterstorff beziggehouden, zo verzucht Van den Brink, maar nu zit hij vast in een gesloten wereldbeeld.

Is er niets anders te zeggen dan het geluid van Kuitert en Hendrikse? Goddank wel, zou ik willen zeggen! God spreekt en doorbreekt het zwijgende universum. Zijn spreken is niet een echo van ons denken of product van ónze verbeeldingskracht, zoals Kuitert en Hendrikse leren. God is de Ander, die ons in Christus nabij gekomen is. Ten diepste houden de beide theologen alleen de eigen (religieuze) ervaring over. Dat is de consequentie van het loslaten van de zichzelf openbarende God. Dan is de mens met zichzelf alleen, met zijn god die geen God blijkt te zijn, maar product van eigen verbeelding. Over eenzaamheid gesproken.

N.a.v. Harry Kuitert, Alles behalve kennis. Afkicken van de godgeleerdheid en opnieuw beginnen, uitg. Ten Have, Utrecht, 2011, 304 blz., € 19,95; Klaas Hendrikse, God bestaat niet en Jezus is zijn zoon, uitg. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2011, 208 blz., € 18.

 
Sophie